Ik hoorde Beau deze week in zijn uitzending het carnavalsfeest samenvatten als zuipen, tongen en drugs snuiven. Dat klinkt in mijn oren meer als een Amsterdamse zaterdagavond dan dat het iets met carnaval te maken heeft.
Ik ben een geboren en getogen Hagenaar en inmiddels Rijswijkse, dus wat, zal u zeggen, weet ik er nou van? Met familie in Breda en zes jaar verkering met een Bossche Bol als ervaring, ben ik semi-geïntegreerd in het Bourgondische carnaval en ik ben er gek op. Ik weet, de meningen zijn over carnaval sterk verdeeld, maar het stuit me altijd tegen de borst wanneer mensen iets niet kennen en/of er niet van houden, het tot stom, onnozel of zuipfestijn moeten afkraken. Carnaval is een eeuwenoude traditie die bol staat van rituelen en door velen zeer serieus wordt nageleefd.
Origine
De naam komt waarschijnlijk van ‘carne levare’, vrijvertaald ‘het wegnemen van vlees’ in het Italiaans, want het feest heeft alles te maken met de laatste keer de bloemetjes buiten zetten voordat de vastentijd begint. De term komt in Nederlandse archieven voor het eerst voor in de 17e eeuw.
Van oorsprong is het feest een omkeringsritueel. Maatschappelijke rollen worden omgedraaid en gewenst gedrag wordt voor de duur van de feesten opgeschort. Die rituelen komen in de geschiedenis al voor in de eeuwen voor Christus zoals bijvoorbeeld de Saturnaliën uit de Romeinse tijd. Tijdens deze Romeinse feesten hadden tot slaafgemaakten meer vrijheid, mochten zij hun meesters belachelijk maken, werden vermommingen gedragen en werden optochten gehouden in de straten. Bovenal waren het feesten met veel eet- en drinkpartijen waarbij de ‘meesters’ hun ‘slaven‘ serveerden.
Integratie
Na de invoering van het christendom in Europa probeerde de kerk al deze heidense feesten te verbieden. Toen dat lastig bleek, werd in 1091 besloten de feesten te integreren in het christelijke geloof. Carnavalszondag valt om die reden nu exact 40 dagen voor Eerste paasdag als verwijzing naar de 40 dagen die Jezus volgens de Bijbel doorbracht met vasten in de woestijn en Aswoensdag (de dag
na carnaval) is het begin van de vasten. Met instemming van de christelijke kerk werden de feesten vanaf dat moment steeds populairder, in de middeleeuwen bijvoorbeeld bekend als narrenfeesten. Vanaf de 19e eeuw nam het carnaval haar huidige vorm aan.
Elf-Elf
En die vorm verschilt weer in diverse provincies van het land. Grofweg bestaat er het Bourgondische carnaval (Brabant en Zeeuws Vlaanderen) en het Rijnlands carnaval (Limburg en Oost-Nederland). Het Rijnlandse carnaval komt weer van het Keulse (Duitse) carnaval. Het carnavalsseizoen begint op 11 november om 11.11. Traditiegetrouw omdat 11 het gekkengetal is en dus goed past bij de ‘dwaasheid’ van het feest. Maar ook omdat het exact 40 dagen voor de kortste dag van het jaar is, waarop de donkere periode voor Kerstmis begint.
Oeteldonk
Ik heb nog nooit Limburgs carnaval gevierd dus houd ik mij verre van die tradities om fouten te voorkomen, maar Bourgondisch carnaval ken ik wel. In mijn blauwe kiel versierd met Oetels (kikkers, ieder jaar een nieuwe voor elk jaar dat je deelnam) en een geel-wit-rode sjaal en oude jas (soberheid staat hoog in het vaandel), dompelde ik mij enkele jaren onder in het feest.
In Oeteldonk (‘s Hertogenbosch) begint d’en elfde van d’en Elfde met het zingen van het Oeteldonks volkslied op de Parade. De stad kleurt geel, wit en rood, de Oeteldonkse kleuren. Het seizoen is geopend. Later die dag vindt het Kwekfestijn plaats, een soort songfestival waarop de carnavalskraker voor het nieuwe seizoen wordt gekozen. Vanaf dan tot aan het carnaval in februari vinden talloze evenementen plaats zoals het wekelijkse tonpraten (standup comedy tijdens het carnavalsseizoen) of de Jankbokaal, een zangwedstrijd voor smartlappen.
Op carnavalszondag arriveert de Prins op het station en wordt naar het centrum gereden met de intocht waar de burgemeester zijn ambt voor de carnavalstijd overdraagt aan de koninklijke hoogheid en de Raad van Elf. Daarna wordt het standbeeld van Knillis op de Markt onthult. Naar zeggen is de boer de stichter van de stad Oeteldonk. Tijdens schrikkeljaren heeft hij gezelschap van zijn moeder Hendrien. Op maandag volgt de Grote optocht met carnavalsverenigingen, maar ook kleine groepen en individuele deelnemers die ludieke outfits bedenken die inspelen op lokaal, provinciaal of landelijk nieuws of sentimenten die spelen in de samenleving. Een kinderoptocht op dinsdag en de begrafenis van Knillis om middernacht sluit de festiviteiten.
En ja, gedurende dit alles, wordt er gedronken, en gedanst en gezongen en mal gedaan. Wie wil nou niet de dagelijkse ellende van de wereld even achter zich laten. Is het jouw ding niet, blijf er lekker ver van weg, maar doe het niet af alsof carnavalsvierders op hol geslagen zuipers en vreemdgaanders zijn. Het is een mooie traditie die je ook prima op cola of water kan beleven.
Veel plezier allemaal.
| Janine Brandsen